Afdeling 4. - De algemeen directeur
Onderafdeling A. - Aanduiding
Art. 28.
§ 1. Het mandaat van algemeen directeur wordt door de raad van bestuur toegewezen. Alleen directeurs van scholen van de scholengroep komen in aanmerking voor het mandaat van algemeen directeur.
§ 2. De procedure voor de toewijzing en beėindiging van het mandaat van algemeen directeur wordt bij decreet bepaald.
§ 3. Het geldelijk statuut van de algemeen directeur wordt bij decreet bepaald.
Art. 29.
Het mandaat van algemeen directeur kan worden beėindigd op de wijze zoals bepaald in de artikelen 19, 23, § 1, 3°, b), en 35, 2°, van dit bijzonder decreet.
Onderafdeling B. - Bevoegdheden
Art. 30.
§ 1. De algemeen directeur is bevoegd voor :
- het opstellen van het jaarverslag van de scholengroep inzake de algemene werking, de financiėle toestand en de kwaliteitsbewaking;
- het opstellen van een budgettair meerjarenplan voor de scholengroep;
- het opstellen van de begroting van de scholengroep;
- de taakverdeling van het ondersteunend personeel, het opvoedend hulppersoneel, en administratief personeel van de scholengroep;
- het beheer van de gemeenschappelijke keukenvoorzieningen;
- het beheer en de invulling van het contractuele personeelskader;
- de kleine infrastructuurwerken;
- het formuleren van voorstellen aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs inzake grote infrastructuurwerken en de uitvoering van de grote infrastructuurwerken in samenwerking met de Raad van het Gemeenschapsonderwijs;
- de organisatie van het leerlingenvervoer;
- het opstellen en uitvoeren van een remediėringsplan, in toepassing van de artikelen 52 en 57 van dit bijzonder decreet;
- het formuleren van voorstellen aan de raad van bestuur met betrekking tot de taakverdeling van de leden van het bestuurspersoneel.
Voor de bevoegdheden sub 5°, 6°, 7°, 8° en 9°, kan hij in naam en voor rekening van de scholengroep alle overeenkomsten sluiten, met inbegrip van overeenkomsten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. § 2. In geval van hoogdringendheid kan de algemeen directeur beslissingen nemen om de belangen van de scholengroep te vrijwaren. Deze beslissingen dienen op de eerstvolgende raad van bestuur te worden voorgelegd, die ze kan herroepen of wijzigen voorzover aan de beslissingen nog geen uitvoering is gegeven.
§ 3. Voor alle aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de scholengroep of de scholen vertegenwoordigt de algemeen directeur het Gemeenschapsonderwijs in en buiten rechte.
§ 4. De algemeen directeur kan de hem bij dit bijzonder decreet toegewezen bevoegdheden, met uitzondering van de bevoegdheden bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3°, 10° en 11°, en de hem gedelegeerde bevoegdheden delegeren binnen de scholengroep aan de directeur of het hoofd van een instelling. Deze delegatie is slechts mogelijk na goedkeuring door de Raad van Bestuur.
|